Wetsvoorstel wijziging gemeenschap van goederen

12-02-2015

Komt er alsnog een beperking in de de huidige gemeenschap van goederen? 

In de zomer van 2014 is een initiatiefwetsvoorstel ingediend om de wettelijke gemeenschap van goederen te wijzigen (Kamerstukken II, 33 987). Het voorstel introduceert een beperkte gemeenschap als hoofdstelsel.

De belangrijkste wijziging houdt in dat voorhuwelijkse goederen en schulden niet langer deel gaan uitmaken van de wettelijke gemeenschap. Dit betekent dat bijvoorbeeld een voorhuwelijkse woning en de daarmee verbonden voorhuwelijkse hypothecaire geldlening een privégoed en privéschuld van de betreffende echtgenoot zullen zijn en blijven. De draagplicht van deze schulden komt geheel toe aan de echtgenoot/schuldenaar.

Voorgesteld wordt voorts dat alle goederen en schulden die krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift worden verkregen, niet in de wettelijke gemeenschap vallen. Een uitsluitingsclausule zal voortaan dus niet meer nodig zijn. Een ‘gemeenschapsclausule’ kan in de toekomst wel voorkomen. Artikel 1:94 lid 5 BW (ontwerp) bepaalt dat giften van gemeenschapsgoederen van de ene echtgenoot aan de andere wel tot de gemeenschap blijven behoren.

Een voorhuwelijkse onderneming valt op grond van het voorgaande dus niet in de gemeenschap. Het ontwerp voorziet daarom in een regeling die als uitgangspunt neemt dat beide echtgenoten een gelijke aanspraak hebben op hetgeen door de inspanningen van hen beiden gedurende het huwelijk is verkregen. Ondernemingswinsten moeten aan de gemeenschap worden vergoed. Deze regeling zal zowel gelden voor ondernemingen in de vorm van een BV of NV als voor personenvennootschappen. De regeling gaat lijken op het huidige artikel 1:141 lid 4 en 5 BW (verrekenbedingen). De keerzijde geldt ook: ondernemingsverliezen van een privéonderneming komen ten laste van de gemeenschap.

Voorhuwelijkse schulden vallen volgens het ontwerp evenmin in de wettelijke gemeenschap. Artikel 1:96 lid 3 BW (ontwerp) tracht te voorkomen dat het verhaal door privécrediteuren van de ene echtgenoot op gemeenschapsgoederen, de andere echtgenoot raakt. Op grond van deze bepaling zal een privécrediteur zich namelijk slechts op de helft van de opbrengst van een gemeenschapsgoed kunnen verhalen. De andere helft zal hij moeten afstaan aan de echtgenoot van de debiteur. De andere echtgenoot verkrijgt ook het recht om het gemeenschapsgoed waarop de privécrediteur verhaal zoekt tegen betaling aan de crediteur van de helft van de waarde over te nemen. Deze nieuwe regeling zal alleen gaan gelden voor privéschulden.

Het overgangsrecht bepaalt dat artikel 1:94 BW in de huidige vorm zal blijven gelden voor wettelijke gemeenschappen die zijn ontstaan voor de invoering van dit initiatiefwetsvoorstel. Ook erfrechtelijke verkrijgingen en giften die nadien worden verkregen blijven dus in beginsel in de gemeenschap vallen. De nieuwe (beperkte) gemeenschap zal alleen gaan gelden voor huwelijken gesloten op of na de invoeringsdatum.Uitzondering vormt bovengenoemde bijzondere verhaalsregeling in geval van privéschulden. Deze nieuwe regeling zal ook gaan gelden voor reeds bestaande wettelijke gemeenschappen.

De ontwikkelingen rondom dit initiatief wetsvoorstel houden we in de gaten.

Wet Hervorming Kindregelingen

06-02-2015

Vanaf 1 januari 2015 is er op financieel gebied het een en ander veranderd voor gescheiden ouders. De Wet hervorming kindregelingen is in werking getreden. Dit heeft tot gevolg dat de alleenstaande oudertoeslag in de bijstand, de alleenstaande ouderkorting en het fiscaal voordeel bij het betalen van kinderalimentatie vervallen. Door deze nieuwe wet is  het kindgebonden budget verhoogd. Daarnaast is de zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’ ingevoerd, een geheel nieuwe bepaling.

Toen de wet hervorming kindregelingen (WHK) werd aangekondigd, verzochten de scheidingsadvocaten van de vFAS de Expertgroep Alimentatienormen om duidelijkheid te geven hoe deze wet toe te passen bij de vaststelling van kinderalimentatie. De Expertgroep Alimentatienormen bestaat uit familierechters die zich bezig houden met alimentatiezaken. Zij hebben als doel het leveren van een bijdrage aan de voorspelbaarheid en rechtszekerheid van de rechtspraak in alimentatiezaken. De aanbevelingen die zij geven staan in het Rapport Alimentatienormen dat met enige regelmaat wordt aangepast aan nieuwe ontwikkelingen en regelgeving. De aanbevelingen zijn overigens geen wet en rechters en partijen kunnen in individuele zaken daarvan afwijken. Ook met betrekking tot de vraag hoe om te gaan met een verhoging van het kindgebonden budget heeft deze werkgroep duidelijkheid verschaft.

De Expertgroep Alimentatienormen leidt af uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van deze wet dat een verhoging van het kindgebonden budget met een alleenstaande ouderkop leidt tot een verlaging van resterende behoefte van het kind. Bij de parlementaire behandeling zijn, volgens de Expertgroep, de consequenties van de WHK door de wetgever onder ogen gezien en aanvaard. Vanwege de gevolgen voor enerzijds de behoefte van de kinderen en anderzijds de draagkracht van de alimentatieplichtige ouder(s), ziet de Expertgroep aanleiding om de aanbeveling op dit punt aan te passen aan deze uitleg van de wetgever. In het nieuwe rapport dat medio december 2014 verschijnt zal de Expertgroep de navolgende aanbeveling opnemen:
 
"Met ingang van 1 januari 2015 komen alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor een kindgebonden budget ook in aanmerking voor een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,00 (voor 2015). Deze verhoging wordt ‘de alleenstaande ouderkop’ genoemd. De expertgroep beveelt aan om dit totale kindgebonden budget in mindering te doen strekken op het gevonden tabelbedrag. Dit kan er in een aantal gevallen toe leiden dat er geen behoefte meer resteert waarin de ouders moeten voorzien. In een dergelijk geval is er dus geen aanleiding voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere, niet-verzorgende ouder."
 
Dit heeft dus tot gevolg dat in vele gevallen betaling van kinderalimentatie niet meer aan de orde is. Niet omdat een ouder deze kinderalimentatie niet kan betalen (bijvoorbeeld wegens een gebrek aan draagkracht), maar vanwege het feit dat de behoefte volledig wordt ingevuld door het te ontvangen kindgebonden budget. Dit is een ingrijpende ontwikkeling die financiële gevolgen heeft voor vele gescheiden ouders met kinderen. De verzorgende ouder ontvangt namelijk in voorkomende situaties geen of een lager bedrag aan kinderalimentatie. Weliswaar staat daar de alleenstaande ouderkop tegenover, tegelijkertijd valt voor de verzorgende ouder de alleenstaande ouderkorting weg. Hierdoor valt het netto besteedbaar inkomen van deze ouder lager uit.

Is deze aanbeveling alleen van toepassing bij nieuwe gevallen? De Expertgroep stelt in dit verband dat ‘het wijzigen van fiscale wetgeving een wijziging vanregelgeving is die van invloed kan zijn op de wettelijke maatstaven en dus aanleiding kan geven tot herbeoordeling van eerder overeengekomen of vastgestelde bijdragen.’ Dit heeft dus tot gevolg dat niet alleen bij nieuwe gevallen rekening zal worden gehouden met deze gewijzigde regelgeving, maar dat in situaties waarin al eerder kinderalimentatie werd vastgesteld, onderzocht kan worden of de bijdrage nog steeds juist is.

Laat u goed informeren over de gevolgen van deze wetgeving in uw situatie.